Geschiedenis
‘t Paradijs van Wenemaar bevindt zich op een oude plaats uit het verleden van het Sint-Veerleplein: het Wenemaarshospice.
Het werd gesticht in 1323 door Willem Wenemaar en zijn vrouw Marghareta ‘s Brunen in het huis ”Het Paradijs” dat zij toen bewoonden.
Het hospice of godshuis was bedoeld voor arme lieden van beide geslachten.
In het jaar van de stichting echter sneuvelde Willem in een veldslag tussen Gentenaars en Bruggelingen, bij de brug van Reckeleyn in de omgeving van Deinze en werd in de Sint-Laurentiuskapel van zijn eigen godshuis begraven. Marghareta nam het beheer van het godshuis over.
In 1328 werden de eerste kloosterlingen aangesteld en het aantal arme lieden dat kon worden opgevangen vastgesteld op twintig. Om te kunnen intreden als kloosterling diende men al zijn bezittingen af te staan aan het godshuis.
In 1339 stond ook Marghareta al haar bezittingen af toen zij samen met haar dienstbode het kloosterkleed aantrok. Ze overleed in 1358 en werd naast haar echtgenoot in de kapel begraven.
Onmiddellijk na haar dood ontstond een twist tussen de erfgenamen Wenemaar en ‘s Brunen over het eigendomsrecht. Uiteindelijk werden er voogden aangesteld om het beheer van het godshuis te leiden.
Het bestaan van het godshuis kwam later nog meerdere keren in het gedrang.
Zoals gewoonlijk werd eenmaal per jaar de jaarrekening besproken en werden daarbij de erfgenamen uitgenodigd. De bespreking werd telkenmale besloten met een banket.
Na een aantal jaren merkte men dat het getal van de erfgenamen steeds maar toenam en op een bepaald ogeblik de 500 benaderde. Moeder-overste deed haar beklag hierover bij het Magistraat omdat de kosten voor het banket dreigden de werking van het godshuis in gevaar te brengen.
Door de schepenen werd in 1565 een resolutie uitgevaardigd die, op straffe van arbitraire correcties, het getal der familieleden beperkte tot 10 à 12 en dan nog enkel dezen die kapitaalkrachtig genoeg waren om het godshuis te steunen in plaats van te pluimen. Eigenaardig genoeg werd deze resolutie getekend door Jan van Hembyze die op 4 augustus 1584 op het Sint-Veerleplein rechtover het Wenemaarshospice werd onthoofd.
Hij was er onder andere van beschuldigd de stad te hebben gepluimd.
Tijdens de beeldenstorm werd ook lelijk huisgehouden in het Wenemaarshospice en vooral dan in de kapel.
De grafstenen van Willem en Marghareta werden vernield en hun gebeente verspreid.
Enkel twee koperen platen die de tomben versierden konden worden gered. Deze platen worden nu onder de kopstukken van het Bijlokemuseum gerekend.
In 1588 was alles zo goed als terug opgebouwd en werd de kapel opnieuw gewijd.
Volgende etappe in de rij van tegenslagen was de Franse overheersing, want in 1792 werden zij gesommeerd om maar eventjes vlug een hoge som geld naar den ”Comptoire van de Franschen Republique” te brengen of anders ”zult gij waarschijnlijk bloot gesteld zijn aan droevige gevallen” waarbij men natuurlijk militaire executie bedoelde (ach die Franse poëzie is toch mooi…)
Blijkbaar is alles goed afgelopen want het godshuis bleef bestaan.
Tot in 1867 het godshuis gewoon werd afgeschaft en de gebouwen werden aangekocht door de stad om er de nieuwe overdekte markt te bouwen naar de plannen van architect Adolphe Pauli.
Het godshuis werd toen nagenoed volledig gesloopt. De ”arme lieden” verhuisden naar de burgerlijke godshuizen.